Er komen twee mensen binnen die mijn hangmatstandaard willen kopen.
Ik laat ze de standaard zien en haal mijn klagende kat uit de hangmat.
‘Mooi!’, zegt het meisje tegen haar vriend. ‘Maar waar wil je ‘m neerzetten dan?’
‘Gewoon. In de schuur’.
‘In de schuur?! Hoe wil je je fiets dan pakken?’
‘Dat kan makkelijk’, vindt hij. Hij bekijkt het hout zorgvuldig.
‘Hoe kan de standaard uit elkaar?’
‘Niet’, zeg ik vinniger dan ik wil. ‘Dat heb ik ook in de advertentie gezet. De standaard is Niet Demontabel’. Ik benadruk de laatste twee woorden.
Het meisje zucht.
‘Dat dacht ik al’, zegt ze tegen haar Lief.
Ik draai me om en doe alsof ik ga koken.
‘Hoe wil je dat ding dan meenemen?’
‘O, joh. Ik vraag Jasper gewoon. Die kan maandagavond wel even meehelpen’.
Hij draait zich om.
‘We zijn eruit’, zegt hij dan. ‘Maandagavond wil ik ‘m komen halen. Kan dat?’
‘Ik kijk even in mijn agenda’, zeg ik terwijl ik weet dat dat geen enkel probleem is.
‘Wat heb je trouwens een indrukwekkende boekenkast!’, zegt het meisje.
‘Ik lees veel’, zeg ik. En dan zeg ik het ineens.
‘Ik ben schrijver’.
‘Wat cool!’, zegt het meisje. Ik laat het stel dat mijn hangmatstandaard van me gaat afpakken In naam van mijn vader zien.
Als ik heb gezegd ‘tot maandag’ en de deur achter ze dichtdoe, kijkt Casper me verwijtend aan.
‘Het komt wel goed schatje’, zeg ik. ‘In het nieuwe huis vind je wel weer een andere fijne plek’.
Ik ga snel een ui pellen om mijn tranen te verantwoorden. *
*Die laatste zin is verzonnen. Ik eet geen ui en ik hoefde niet te huilen. Maar het scheelde niet veel.
